Uitspraak
24 april 2024, 23/5341
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. Volgens artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient griffierecht te worden betaald bij het indienen van een beroepschrift, hetgeen ook van toepassing is op hoger beroep volgens artikel 8:108 Awb Pro.
Appellant is tweemaal schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €138,-, met duidelijke termijnen voor betaling. Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet betaald binnen de gestelde termijnen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant in verzuim is en verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter D. Hardonk-Prins en griffier A. Giesen op 12 februari 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.