ECLI:NL:CRVB:2025:1885
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning
Op 10 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Verzoekster had een aanvraag ingediend voor maatwerkvoorzieningen voor huishoudelijke ondersteuning en begeleiding in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). Deze aanvraag was eerder afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, en de rechtbank Den Haag had het beroep van verzoekster ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft verzoekster een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, omdat zij stelde dat zij financiële problemen ondervond die een spoedeisend belang bij de uitkomst van de bodemprocedure met zich meebrachten.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de gestelde financiële problemen niet zo zwaarwegend waren dat de behandeling van de bodemprocedure niet kon worden afgewacht. De voorzieningenrechter benadrukte dat financiële redenen niet snel aanleiding geven voor het treffen van een voorlopige voorziening, vooral gezien het restitutierisico. Bovendien werd opgemerkt dat de bodemprocedure binnen afzienbare tijd, naar verwachting op 16 april 2026, ter zitting zou worden behandeld. Het college had bovendien toegezegd om zo snel mogelijk een medisch onderzoek in te stellen naar aanleiding van een nieuwe melding van verzoekster. De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen aanleiding was voor een veroordeling in de proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan in het openbaar en is vastgelegd in een proces-verbaal. De griffier van de Centrale Raad van Beroep, L. van Beelen, en de voorzieningenrechter, D. Hardonk-Prins, hebben de uitspraak ondertekend.