ECLI:NL:CRVB:2025:1667

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
25/450 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:119 AwbArt. 8:41 AwbArt. 6:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht en ontbreken gronden

Verzoekster heeft bij brief van 22 januari 2025 verzocht om herziening van een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2019. De Raad wees verzoekster er meerdere malen op dat een griffierecht van €143,- betaald moest worden binnen gestelde termijnen. Deze termijnen zijn verstreken zonder betaling.

Daarnaast bevatte het verzoekschrift geen gronden voor herziening, terwijl verzoekster hier meermaals schriftelijk toe is aangespoord binnen gestelde termijnen. Ook deze termijnen zijn ongebruikt verstreken zonder dat gronden zijn ingediend.

De Raad oordeelt dat het verzoek om herziening daarom kennelijk niet-ontvankelijk is. Er zijn geen redenen aangevoerd die het verzuim verontschuldigen. Zonder inhoudelijke behandeling wordt het verzoek afgewezen. Een proceskostenveroordeling is niet opgelegd.

De uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum namens de Centrale Raad van Beroep op 7 november 2025. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden aangetekend.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht en ontbreken van gronden.

Uitspraak

Datum uitspraak: 7 november 2025
25/450 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, in verbinding met de artikelen 8:108 en 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 februari 2019, 17/3824
Partijen:
[Verzoekster] te [woonplaats], Marokko (verzoekster)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft bij brief van 22 januari 2025 verzocht om herziening van de door de Raad op 7 februari 2019 tussen partijen gewezen uitspraak. Bij die uitspraak is vastgesteld dat het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2017 niet slaagt en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:119, tweede lid, van de Awb in samenhang gelezen met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het verzoek om herziening.
Bij brief van 12 maart 2025 is verzoekster erop gewezen dat een griffierecht van € 143,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 14 april 2025 is verzoekster nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, verzoekster er rekening mee moet houden dat het verzoek om herziening niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald. Om deze reden is het verzoek om herziening kennelijk niet-ontvankelijk.
Daarnaast merkt de Raad nog het volgende op. In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Hetzelfde geldt voor het verzoek om herziening, zo volgt uit artikel 6:24 en Pro artikel 8:119, tweede lid, van de Awb.
In het bijzonder stelt artikel 8:119, eerste lid, van de Awb dat herziening van een uitspraak alleen mogelijk is op grond van feiten en omstandigheden die:
hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
ij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;
tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden als zij bij de bestuursrechter eerder bekend waren geweest.
Het ingediende verzoekschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 1 april 2025 is verzoekster in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Verzoekster heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 2 mei 2025 is aan verzoekster nogmaals de gelegenheid geboden de gronden voor het verzoekschrift in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is verzoekster erop gewezen dat zij er rekening mee moet houden dat overschrijding van die termijn tot gevolg zal hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld. Verzoekster heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het verzoek om herziening is ook hierom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van
A.Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2025.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale) déclare la requête de révision non recevable.
Par conséquent, décidée par le maître M.A.H. van Dalen-van Bekkum en présence de
A.Giesen en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 7 novembre 2025.
(signé) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(signé) A. Giesen
Les intéressés et les organes d'administration auront le droit à présenter une opposition écrite contre la présente décision, dans les six semaines suivantes à la notification de la copie, à la Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale), Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. L'intéressé présentant l'opposition pourra demander d'avoir l'opportunité d'être entendu sur son opposition.