Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2025:1444

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
2 oktober 2025
Zaaknummer
24/2794 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens blijvende geschiktheid voor geselecteerde functies bevestigd

Appellant was werkzaam als schoonmaker en meldde zich in maart 2020 ziek. Na een WIA-beoordeling weigerde het UWV een WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, maar wel geschikt voor andere functies zoals productiemedewerker en monteur.

Na nieuwe ziekmeldingen en medische beoordelingen kende het UWV een Ziektewet-uitkering toe, die het later beëindigde per 2 maart 2023 en 5 december 2023, omdat appellant volgens verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen geschikt bleef voor de geselecteerde functies. Appellant voerde aan dat zijn fysieke en mentale beperkingen, mede door een auto-ongeluk, zwaarder wogen dan vastgesteld.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was en de belastbaarheid juist was vastgesteld. Appellant stelde in hoger beroep dat de Functionele Mogelijkhedenlijst geen realistisch beeld gaf en dat aanvullende medische rapporten nodig waren.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende nieuwe feiten of medische informatie aanvoerde die tot een ander oordeel konden leiden. Het verzoek tot benoeming van een deskundige werd afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de ZW-uitkering bleef in stand.

Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering per 2 maart 2023 en 5 december 2023 wordt bevestigd.

Uitspraak

24/2794 ZW, 24/2795 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2024, 23/6662 en 24/5399 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 oktober 2025
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 2 maart 2023 en per 5 december 2023 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt van appellant niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.L. Soedamah, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 september 2025. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn dochter. Tevens was aanwezig R. Osman als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van de Heuvel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant was werkzaam als schoonmaker voor gemiddeld 40 uur per week en heeft zich op 20 maart 2020 ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 7 maart 2022 geweigerd aan appellant met ingang van 18 maart 2022 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van zijn laatste werk als schoonmaker, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies, te weten productiemedewerker industrie, lader, losser en monteur reparatie smartphones en/of tablets.
1.2.
Het Uwv heeft de uitkering op grond van de Werkloosheidswet van appellant voortgezet vanaf 18 maart 2022. Appellant heeft zich op 8 augustus 2022 opnieuw ziekgemeld met belemmerende gezondheidsklachten. In verband hiermee heeft hij op 5 september 2022 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant ongeschikt is voor de maatgevende arbeid en besloten dat informatie bij de behandelend sector moet worden opgevraagd om de plausibiliteit en de belastbaarheid zorgvuldig te kunnen bepalen. Bij besluit van 8 november 2022 heeft het Uwv aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend per 7 november 2022. Vervolgens heeft appellant op 7 december 2022 opnieuw het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat sprake is van extra beperkingen (op het mentale vlak) en heeft deze beperkingen vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 december 2022. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat met inachtneming van de FML van 9 december 2022 geen sprake is van een overschrijding op de belastbaarheid in de geselecteerde functies productiemedewerker industrie, lader, losser en monteur reparatie smartphones en/of tablets. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 28 februari 2023 de ZW-uitkering van appellant per 2 maart 2023 beëindigd omdat appellant blijvend geschikt is voor de per einde wachttijd geselecteerde functies.
1.3.
Bij besluit van 6 oktober 2023 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
1.4.
Op 20 oktober 2023 heeft appellant zich opnieuw ziekgemeld met belemmerende gezondheidsklachten. In verband hiermee heeft hij op 5 december 2023 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er geen reden is om meer beperkingen aan te nemen dan in de FML van 22 februari 2022 zijn vastgelegd en dat appellant geschikt is te achten voor de per einde wachttijd geselecteerde functies. Bij besluit van 8 december 2023 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant per 5 december 2023 beëindigd.
1.5.
Bij besluit van 13 augustus 2024 (bestreden besluit II) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de rapporten van de verzekeringsartsen dat het onderzoek naar de medische situatie van appellant zorgvuldig is geweest. In het onderzoek is informatie van de behandelaars opgevraagd. Deze informatie is door de verzekeringsartsen bij de beoordeling betrokken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien appellant te volgen in zijn standpunt dat sprake is van meer beperkingen dan door het Uwv zijn aangenomen. Appellant heeft niet met medische informatie of anderszins onderbouwd waarom de aangenomen beperkingen onvoldoende zouden zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de fysieke en psychische belastbaarheid van appellant juist vastgesteld. Eventuele signaleringen in de geselecteerde functies zijn volgens de rechtbank adequaat toegelicht, zodat de arbeidsdeskundige wordt gevolgd in zijn conclusie dat in de geselecteerde functies geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant biedt de FML van 9 december 2022 geen realistisch beeld van zijn medische situatie en is sprake van ernstige fysieke en psychische beperkingen. Appellant heeft in december 2022 een autoongeluk gehad waardoor zijn fysieke klachten aanzienlijk zijn verergerd. Het Uwv heeft de impact van dit ongeluk onvoldoende meegewogen in de beoordeling van de belastbaarheid. Zo heeft de rechtbank volgens appellant ten onrechte geoordeeld dat er geen aanleiding is voor een aanvullende beperking op het aspect zitten, terwijl appellant consistent heeft aangegeven slechts maximaal dertig minuten te kunnen zitten, hetgeen wordt bevestigd door de ingebrachte medische informatie en zijn gedrag tijdens de zitting. Appellant staat momenteel onder behandeling van een orthopeed en volgt psychosociale behandeling. Dit zal naar verwachting leiden tot nadere rapporten van medische experts, die meer inzicht zullen bieden in zijn actuele beperkingen. Dit onderstreept volgens appellant de noodzaak de vastgestelde belastbaarheid en de beschikbaarheid voor de geselecteerde functies te herzien.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de hersteldverklaring van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 19 van Pro de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
4.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022 [1] .
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak afdoende besproken waarom de beroepsgronden niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen worden onderschreven.
4.4.
De in hoger beroep ingebrachte stukken leiden niet tot een ander oordeel. Een deel van deze stukken is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep kenbaar betrokken in de medische beoordeling. Voor de overige stukken, die alle zijn gedateerd na de datum in geding, geldt dat appellant de relevantie daarvan voor de data in geding niet heeft kunnen toelichten.
4.5.
Er is dus geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid van appellant op de data in geding. Voor het benoemen van een deskundige, zoals door appellant verzocht, ziet de Raad dan ook geen aanleiding, Het verzoek wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering per 2 maart 2023 en 5 december 2023 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.H. Ermers, in tegenwoordigheid van A.K.F. Ouwehand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025.
(getekend) J.H. Ermers
(getekend) A.K.F. Ouwehand

Voetnoten

1.CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.