ECLI:NL:CRVB:2024:858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging studiefinanciering wegens verstreken opname- en diplomatermijn terecht
Appellant ontving in 2011 kortdurend studiefinanciering voor een afgebroken mbo-opleiding en startte in 2019 een nieuwe mbo-opleiding. De minister beëindigde de studiefinanciering per 1 april 2021 omdat de wettelijke opname- en diplomatermijn van tien jaar was verstreken. Appellant verzocht om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 11.5 Wsf 2000, maar dit werd geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant niet aannemelijk maakte dat bijzondere omstandigheden hem verhinderden binnen de termijn een diploma te behalen.
In hoger beroep stelde appellant dat de minister ten onrechte geen gebruik maakte van de hardheidsclausule. De Raad oordeelde dat de wetgever bewust een vaste termijn van tien jaar hanteert met slechts beperkte uitzonderingen via artikel 4.14 Wsf 2000. Persoonlijke keuzes van appellant en zijn eerdere terugbetaling van studieschuld rechtvaardigen geen uitzondering. De minister mocht daarom weigeren de termijn te verlengen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak benadrukt het belang van de wettelijke termijn en de restrictieve toepassing van de hardheidsclausule.
Uitkomst: De studiefinanciering werd terecht beëindigd omdat de wettelijke opname- en diplomatermijn van tien jaar was verstreken en de hardheidsclausule niet van toepassing is.