ECLI:NL:CRVB:2024:812
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing AOW-aanvraag wegens ontbreken bewijs van verblijf en werk in Nederland
Appellant heeft aangevoerd dat hij tussen 1977 en 1981 in Nederland heeft gewerkt en gewoond, maar kon hiervoor geen bewijs overleggen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af wegens het ontbreken van verzekeringsgeschiedenis voor de AOW.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant niet in Nederland was ingeschreven en geen documenten kon overleggen die zijn verblijf of werk in Nederland onderbouwen. Diverse instanties konden appellant niet bevestigen als werknemer of inwoner.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep deze conclusie. De Raad oordeelde dat de rechtbank de beroepsgronden van appellant afdoende en overtuigend had gemotiveerd en dat appellant ook in hoger beroep geen aanvullend bewijs had geleverd.
De afwijzing van de AOW-aanvraag blijft daarmee in stand. Partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de AOW-aanvraag wegens ontbreken van bewijs van verblijf en werk in Nederland.