ECLI:NL:CRVB:2024:696

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2024
Publicatiedatum
9 april 2024
Zaaknummer
21/2411 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming college

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Na een besluit van het college waarin alsnog een vergoeding voor de gemaakte proceskosten in bezwaar werd toegekend, heeft appellante het hoger beroep ingetrokken. Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestuursorgaan in dat geval op verzoek worden veroordeeld in de proceskosten.

De Centrale Raad van Beroep heeft vastgesteld dat het college volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen, waardoor het hoger beroep is ingetrokken. Het college wordt daarom veroordeeld in de proceskosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep.

De proceskosten worden begroot op € 437,50, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht met een wegingsfactor van 0,5 vanwege de beperkte procedure in hoger beroep. Daarnaast dient het college het betaalde griffierecht van € 134,- aan appellante te vergoeden. Het onderzoek ter zitting is achterwege gelaten omdat het hoger beroep is ingetrokken en het college geen verweerschrift heeft ingediend.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 437,50 en het griffierecht van € 134,- aan appellante.

Uitspraak

Datum uitspraak: 9 april 2024
21/2411 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
25 mei 2021, 20/2803
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 23 november 2021 heeft mr. Vlieger namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat mr. Vlieger namens appellante het hoger beroep heeft ingetrokken naar aanleiding van het besluit van het college van 4 oktober 2021, waarbij het college alsnog een vergoeding voor de gemaakte proceskosten in bezwaar heeft toegekend aan appellante. Hiermee is volledig aan de bezwaren van appellante tegemoetgekomen.
Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5). De Raad past een wegingsfactor licht (factor 0,5) toe omdat in hoger beroep alleen over de proceskostenvergoeding is geprocedeerd.
Ook dient het college het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
  • bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 134,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2024.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen