ECLI:NL:CRVB:2024:624
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en gaf een adres op als zijn hoofdverblijf. Tijdens een gesprek verklaarde hij dat hij alleen op dat adres woonde en maakte hij gedetailleerde opgaven van zijn persoonlijke bezittingen. Een huisbezoek bracht echter tegenstrijdigheden aan het licht, zoals de aanwezigheid van een medebewoner en het ontbreken van persoonlijke spullen die appellant had genoemd.
Het dagelijks bestuur wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had. De rechtbank bevestigde deze afwijzing. Appellant ging in hoger beroep, maar de Raad oordeelde dat de verklaringen van appellant tijdens het gesprek niet betrouwbaar waren gezien de bevindingen bij het huisbezoek.
De Raad wees het verweer af dat appellant door persoonlijke omstandigheden niet in staat was om juiste verklaringen af te leggen. De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende feiten en omstandigheden had aangedragen die het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven op het uitkeringsadres aannemelijk maakten. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandaanvraag bleef in stand.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.