ECLI:NL:CRVB:2024:375
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging toeslag AOW vanwege pensioengerechtigde leeftijd echtgenote bevestigd
Appellant, geboren in 1946, ontving een toeslag op zijn AOW-pensioen omdat zijn echtgenote, geboren in 1955, destijds nog niet de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde deze toeslag per november 2021 toen de echtgenote de pensioengerechtigde leeftijd van 66 jaar bereikte. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar dit werd door de Svb ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit tot intrekking van de toeslag.
Appellant stelde in hoger beroep dat het wegvallen van de toeslag zijn inkomen aanzienlijk verminderde en dat hij niet naar Turkije zou zijn teruggekeerd als hij had geweten dat de toeslag zou eindigen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de wettelijke bepalingen, met name artikel 8 van Pro de Algemene Ouderdomswet, duidelijk bepalen dat de toeslag vervalt zodra de echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Er was geen sprake van toezeggingen dat de toeslag zou blijven doorlopen.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Hierdoor blijft de intrekking van de toeslag per november 2021 in stand. Appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht. De uitspraak werd gedaan door voorzitter E.E.V. Lenos op 23 februari 2024.
Uitkomst: De intrekking van de toeslag op het ouderdomspensioen per november 2021 wordt bevestigd.