ECLI:NL:CRVB:2024:255

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 januari 2024
Publicatiedatum
12 februari 2024
Zaaknummer
21/1340 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig betalen griffierecht

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter inzake de afwijzing van een verzoek om schadevergoeding. De Centrale Raad van Beroep heeft vastgesteld dat het griffierecht van €134,- niet binnen de gestelde termijn is voldaan, ondanks herhaalde aanmaningen. Hierdoor is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling.

De Raad baseert zich op artikel 8:41 en Pro 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin de verplichting tot betaling van griffierecht bij hoger beroep is geregeld. Appellant is zowel per brief als aangetekende brief gewezen op de betalingstermijnen en de consequenties van niet tijdige betaling.

De Raad oordeelt dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat appellant niet in verzuim is geweest. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door C.E.M. Marsé en uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2024.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 16 januari 2024
21/1340 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 april 2021, 21/440
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter, voor zover deze ziet op de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 24 april 2021 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 134,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 26 mei 2021 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C.E.M. Marsé, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2024.
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.