ECLI:NL:CRVB:2024:2191

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 november 2024
Publicatiedatum
22 november 2024
Zaaknummer
23/3044 WMO15-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag gesloten buitenwagen op grond van Wmo 2015 bevestigd

Appellante had bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een aanvraag ingediend voor een gesloten buitenwagen (Canta) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het college wees deze aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar, onder verwijzing naar adviezen van het Indicatieadviesbureau Amsterdam (IAB) waarin werd geconcludeerd dat geen medische noodzaak bestond voor een gesloten buitenwagen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en liet het besluit in stand. Appellante voerde in hoger beroep aan dat er wel sprake was van een medische contra-indicatie voor reizen in de buitenlucht, waardoor zij aangewezen zou zijn op een gesloten buitenwagen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college terecht het besluit baseerde op de adviezen van het IAB en dat uit de medische stukken niet blijkt dat er een medische contra-indicatie bestond voor reizen in de buitenlucht gedurende de relevante periode. Tevens is appellante een persoonsgebonden budget voor een scootmobiel verstrekt, waartegen zij geen bezwaar heeft gemaakt.

Daarom slaagt het hoger beroep niet en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de aanvraag voor een gesloten buitenwagen wordt bevestigd.

Uitspraak

23/3044 WMO15-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2023, 22/741 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 6 november 2024
Zitting heeft: D. Hardonk-Prins, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: E.P.J.M. Claerhoudt
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 november 2024. Namens appellante is verschenen mr. B.C.F. Kramer, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.D. Mensing van Charante.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij besluit van 28 mei 2021 heeft het college de aanvraag van appellante voor een gesloten buitenwagen (Canta) op grond van de Wet maatschappelijke voorziening 2015 afgewezen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 december 2021 (bestreden besluit). Daarbij heeft het college verwezen naar adviezen van het Indicatieadviesbureau Amsterdam (IAB) van 9 mei 2021 en 19 november 2021. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het medisch onderzoek is gebleken dat er voor appellante geen noodzaak voor een gesloten buitenwagen bestaat. Zij kan gebruik maken van minder vergaande en beschikbare vervoersvoorzieningen.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe – kort gezegd en voor zover hier van belang – overwogen dat het college zich heeft mogen baseren op de zorgvuldig tot stand gekomen adviezen van het IAB, waarin is geconcludeerd dat er voor appellante geen medische contra-indicatie is voor contact met de buitenlucht en daarmee geen noodzaak voor uitsluitend gebruik van gesloten vervoer.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Volgens appellante is zij – voor zover hier van belang – op grond van medische en functionele beperkingen aangewezen op een gesloten buitenwagen. Uit de medische stukken volgt volgens appellante dat er een medische contra-indicatie is voor reizen in de buitenlucht.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De te beoordelen periode is in dit geval de periode van 29 april 2021 tot en met 31 december 2021, oftewel de periode van de aanvraag tot en met het bestreden besluit.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in grote lijnen een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat het college het bestreden besluit heeft mogen baseren op de adviezen van het IAB. De Raad is niet gebleken dat uit medische stukken volgt dat er in de hier te beoordelen periode een medische contraindicatie is voor reizen in de buitenlucht en dat het openbaar vervoer, collectief vervoer en/of andere verplaatsingsmiddelen (bijvoorbeeld een scootmobiel) en een vervoerskostenvergoeding op medische gronden niet in aanmerking komen. Aan appellante is een persoonsgebonden budget voor een scootmobiel verstrekt. Hiertegen is appellante niet in beroep gekomen.
4.3.
Gelet hierop behoeft wat appellante verder heeft aangevoerd geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft het bestreden besluit terecht in stand gelaten.
5.2.
Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt (getekend) D. Hardonk-Prins