ECLI:NL:CRVB:2024:2153
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf en bijstandbehoevendheid
Appellant diende op 2 september 2021 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad, waarbij hij verklaarde op een bepaald adres te wonen. Het college voerde een onderzoek uit, waaronder een huisbezoek, en concludeerde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij op dat adres zijn hoofdverblijf had en dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van appellant ongegrond, onder meer omdat tijdens het huisbezoek geen aanwijzingen waren dat appellant daadwerkelijk op het opgegeven adres woonde, zoals het ontbreken van persoonlijke spullen en tegenstrijdige verklaringen over zijn verblijf. Ook gaf appellant onvoldoende inzicht in zijn levensonderhoud voorafgaand aan de aanvraag.
Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die het oordeel van de rechtbank bevestigde. De Raad oordeelde dat het enkel overleggen van aankoopfacturen voor meubels onvoldoende is om het hoofdverblijf aannemelijk te maken en dat appellant de bewijslast draagt om zijn bijstandbehoevendheid aannemelijk te maken. Omdat appellant niet voldeed aan deze bewijslast, bleef het bestreden besluit in stand en werd het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag blijft in stand.