ECLI:NL:CRVB:2024:2149
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op Nederlandse kinderbijslag voor zelfstandig ondernemer met verblijf in Hongarije
Betrokkene is sinds 2005 zelfstandig ondernemer in Nederland en woont afwisselend in Nederland en bij zijn gezin in Hongarije. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde kinderbijslag in periodes waarin betrokkene niet daadwerkelijk in Nederland werkte, omdat hij geen ingezetene van Nederland is.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat betrokkene gedurende de gehele periode recht heeft op kinderbijslag omdat hij werkzaamheden verricht binnen de uitoefening van een bedrijf en de Nederlandse wetgeving van toepassing is. De Svb ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt dat volgens Verordening 883/2004 de wetgeving van de werkstaat geldt voor werkzaamheden anders dan in loondienst, ook in perioden zonder daadwerkelijke werkzaamheden zolang het bedrijf niet is beëindigd. De Nederlandse wetgeving blijft dus van toepassing en Nederland is bevoegd kinderbijslag uit te keren.
Daarnaast oordeelt de Raad dat het recht van betrokkene op kinderbijslag voorrang heeft op het recht van zijn echtgenote in Hongarije. De Svb’s beroep op artikel 59 van Pro Verordening 987/2009 faalt omdat deze bepaling niet zelf een grondslag biedt voor het wijzigen van het recht, maar slechts regelt hoe de betaling verloopt.
De uitspraak bevestigt dat betrokkene recht heeft op kinderbijslag voor beide kinderen vanaf respectievelijk 1 juli 2018 en 1 juli 2019 tot en met maart 2021.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkene gedurende de gehele periode recht heeft op Nederlandse kinderbijslag.