Uitspraak
12 maart 2024, 23/3271
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, maar het ingediende beroepschrift bevatte geen gronden zoals vereist volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad heeft appellant meerdere malen in de gelegenheid gesteld om de beroepsgronden alsnog binnen te dienen, met termijnen die zijn verlengd en schriftelijke aanmaningen.
Ondanks deze kansen heeft appellant geen gronden ingediend en is er geen sprake van een verontschuldiging voor het verzuim. Hierdoor is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling van de zaak. Er is ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 3 september 2024. Tegen deze beslissing kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden aangetekend.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.