ECLI:NL:CRVB:2024:1595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, voormalig machinebediende, ontving vanaf december 2019 een WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na medisch en arbeidskundig onderzoek in bezwaar werd vastgesteld dat appellant slechts 14,35% arbeidsongeschikt is. Het UWV beëindigde daarom per 26 juli 2022 de WIA-uitkering. Appellant voerde aan dat zijn schouderklachten onvoldoende waren meegewogen en dat hij de geselecteerde functies niet kon vervullen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de medische belastbaarheid overtuigend was vastgesteld en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Appellant stelde in hoger beroep dat de FML ten onrechte was aangepast en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn beperkingen, onderbouwd met recente medische informatie.
De Raad stelde vast dat de datum van beoordeling 26 juli 2022 is en bevestigde dat de beperkingen voor beide schouders adequaat in de FML van 24 mei 2022 zijn verwerkt, inclusief beperkingen bij bovenhands werken. De Raad vond geen aanleiding een deskundige in te schakelen en oordeelde dat de functies passend zijn. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd per 26 juli 2022.