AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Vervolgens heeft appellante het hoger beroep ingetrokken omdat het bestuursorgaan, het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, volledig aan haar bezwaren is tegemoetgekomen. Hierdoor is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en is het onderzoek gesloten.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestuursorgaan op verzoek van de indiener van het beroepschrift bij afzonderlijke uitspraak in de kosten kan worden veroordeeld indien het beroep wordt ingetrokken wegens tegemoetkoming. Deze regeling is ook van toepassing op hoger beroep op grond van artikel 8:108 AwbPro.
De Raad stelt vast dat partijen tot een schikking zijn gekomen en dat het college bereid is de proceskosten en griffierechten te vergoeden. De proceskosten worden begroot op €1.750,- voor het beroep en €875,- voor het hoger beroep, en daarnaast dienen de griffierechten van respectievelijk €48,- en €134,- te worden vergoed.
De Raad veroordeelt het college dan ook tot vergoeding van deze kosten aan appellante. De uitspraak is gedaan door C.E.M. Marsé, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2024.
Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten aan appellante.
Uitspraak
Datum uitspraak: 9 juli 2024
21/1325 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2021, 20/1443
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Bij brief van 10 november 2022 heeft mr. Vreeswijk namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 vanPro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat het hoger beroep is ingetrokken omdat partijen tot een schikking zijn gekomen. Het college heeft aangegeven de proceskosten en de griffierechten in beroep en hoger beroep te willen vergoeden.
Aldus is aan de bezwaren van appellante tegemoetgekomen. Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 875,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift).
Ook dient het college het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.625,-.
bepaalt dat het college aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt;
bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 134,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.E.M. Marsé, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2024.