Appellant heeft zich per 5 mei 2021 ziekgemeld en verzocht om een ZW-uitkering. Het Uwv weigerde deze uitkering omdat appellant geschikt werd geacht voor ten minste drie functies die eerder in het kader van de WIA-beoordeling waren geselecteerd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad heeft het medisch en arbeidskundig onderzoek beoordeeld en geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen zijn dat appellant niet geschikt is voor de functies van archiefmedewerker, monteur printplaten en administratief ondersteunend medewerker. Hoewel sprake is van toegenomen beperkingen door een aneurysma, leidt dit niet tot een urenbeperking of ongeschiktheid voor deze functies.
Appellant voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn fysieke beperkingen zwaarder wegen, maar de Raad volgde dit niet. Ook het rapport van de gemeente Rotterdam en een recente MRI-scan konden het oordeel niet wijzigen. De Raad concludeert dat het Uwv terecht de ZW-uitkering heeft geweigerd en veroordeelt het Uwv tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.