ECLI:NL:CRVB:2023:740
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing postume toelating echtgenoot tot vrijwillige ANW-verzekering wegens termijnoverschrijding
Appellante, gehuwd met een overleden echtgenoot die een ouderdomspensioen ontving, verzocht om postume toelating van haar echtgenoot tot de vrijwillige verzekering voor de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af omdat de aanvraag niet binnen de wettelijke termijn van één jaar na overlijden was ingediend.
Appellante maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het bezwaar te laat was ontvangen en dat de vertraging door coronamaatregelen onvoldoende was om de termijnoverschrijding te verontschuldigen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij financiële middelen nodig had voor haar gezin. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard. De Raad concludeerde dat de postbezorging in Marokko ten tijde van verzending geen vertraging meer ondervond door COVID-19 en dat ook inhoudelijk het bezwaar geen kans van slagen had.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de postume toelating tot de vrijwillige ANW-verzekering wordt bevestigd.