ECLI:NL:CRVB:2023:60
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid rond 17e en 18e levensjaar
Appellant diende een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, die door het UWV werd afgewezen na medisch onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat niet kon worden vastgesteld dat appellant beperkingen ondervond die hem als arbeidsongeschikt konden kwalificeren in de relevante periode.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door een hartstilstand en zwakbegaafdheid vanaf zijn zeventiende levensjaar niet in staat was tot eenvoudig werk. De Raad oordeelde dat bij een laattijdige aanvraag beoordeling moet plaatsvinden over een verleden tijdvak, waarbij het ontbreken van medische gegevens voor risico van appellant komt.
De beschikbare medische informatie uit 2002 bood geen voldoende grondslag om beperkingen vast te stellen. De cardioloog gaf aan dat de hart- en vaatziekte niet aangeboren was en het onduidelijk is wanneer deze ontstond. Appellant leverde geen aanvullende medische gegevens aan.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het standpunt innam dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor een Wajong-uitkering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van arbeidsongeschiktheid in de relevante periode.