ECLI:NL:CRVB:2023:561
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens schending inlichtingenplicht over hoofdverblijf
Appellant diende op 5 september 2019 een aanvraag om bijstand in bij het dagelijks bestuur van de ISD BOL, waarbij hij een adres opgaf waar hij volgens hem woonde. Tijdens een gesprek op 8 oktober 2019 gaf appellant geen concrete antwoorden op vragen over zijn hoofdverblijf, wat leidde tot twijfel over zijn woonsituatie. Het dagelijks bestuur wees de aanvraag af wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en dat zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres lag. De rechtbank vond dat het dagelijks bestuur voldoende onderzoek had gedaan en dat een huisbezoek niet noodzakelijk was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het dagelijks bestuur een huisbezoek had moeten uitvoeren om zijn woonsituatie objectief vast te stellen. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad stelde dat appellant eerst feiten en omstandigheden moet aanleveren die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en dat het dagelijks bestuur niet verplicht is alle onderzoeksmiddelen in te zetten. De aanvraag werd terecht afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand is terecht afgewezen wegens schending van de inlichtingenplicht over het hoofdverblijf.