ECLI:NL:CRVB:2023:504
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I.
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
In deze zaak gaat het om de intrekking van een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) met ingang van 1 december 2018. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft het besluit genomen omdat appellante vanaf 9 november 2018 met X een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit tijdig te melden, waardoor zij niet meer voldeed aan de voorwaarden voor de uitkering.
De rechtbank Amsterdam had het besluit van de Svb in stand gelaten, en ook in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze beslissing. De kern van het geschil betrof de vraag of er sprake was van wederzijdse zorg binnen de gezamenlijke huishouding. Volgens artikel 3, derde lid, van de Anw is sprake van een gezamenlijke huishouding als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zorg voor elkaar dragen door een bijdrage aan de huishoudkosten of anderszins.
Niet in geschil was dat appellante en X hun hoofdverblijf deelden. De vraag was of er sprake was van wederzijdse zorg. Omdat financiële verstrengeling ontbrak, werd gekeken naar andere feiten en omstandigheden. Uit verklaringen bleek dat zij samen de administratie deden, boodschappen deden die appellante betaalde, het huishouden samen deden, elkaar verzorgden bij ziekte en gezamenlijke activiteiten ondernamen. Dit was voldoende om van wederzijdse zorg te spreken.
De Raad concludeerde dat de Svb terecht de uitkering had ingetrokken en dat het hoger beroep niet slaagde. De intrekking van de Anw-uitkering blijft daarmee in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg wordt bevestigd.