Appellante, woonachtig in Marokko en gehuwd sinds 1977, vroeg een ouderdomspensioen aan bij de Sociale Verzekeringsbank (Svb). De Svb kende haar een pensioen toe van 12% van het maximale AOW-pensioen, gebaseerd op een korting van 88% vanwege niet-verzekerde periodes.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en handhaafde de korting. Appellante voerde aan dat het pensioen onvoldoende was om van te leven. De Svb erkende later dat ten onrechte was uitgegaan van de datum van registratie van het huwelijk in plaats van de datum van huwelijkssluiting, wat leidde tot een correctie van de korting naar 86%.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het eerdere besluit en stelde zelf de korting vast op 86%, waardoor het ouderdomspensioen met ingang van 1 november 2020 werd verhoogd naar 14% van het maximale pensioen. De Raad wees erop dat financiële omstandigheden van appellante geen grond zijn voor een hogere pensioenuitkering.