ECLI:NL:CRVB:2023:2261
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening korting AOW-pensioen
Appellant ontving bij besluit van 13 januari 2017 een AOW-pensioen met een korting van 56%, gebaseerd op 28 jaar niet-verzekerde perioden voor de AOW. Hij maakte hiertegen geen bezwaar, maar verzocht in 2021 om herziening van dit besluit, stellende recht te hebben op een hoger pensioen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of onjuistheden waren aangetoond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat geen verifieerbaar bewijs werd geleverd dat de gegevens waarop de Svb zich baseerde onjuist waren. Appellant erkende dat hij in de niet-verzekerde perioden wel verzekerd was in Duitsland, maar voerde klachten aan over arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen en de hoogte van zijn pensioenen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen niet relevant zijn voor de vaststelling van de AOW-verzekeringsperioden. De periode van arbeidsongeschiktheid is als verzekerde periode meegenomen. De hoogte van het AOW-pensioen is niet afhankelijk van eerdere uitkeringen of inkomsten. Bovendien heeft appellant geen recht op een partnertoeslag omdat hij pas in 2017 AOW-recht kreeg en niet vóór 2015 gehuwd was.
Het hoger beroep werd derhalve verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de korting op het AOW-pensioen wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.