Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:2261

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 november 2023
Publicatiedatum
30 november 2023
Zaaknummer
23/2242 AOW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek herziening korting AOW-pensioen

Appellant ontving bij besluit van 13 januari 2017 een AOW-pensioen met een korting van 56%, gebaseerd op 28 jaar niet-verzekerde perioden voor de AOW. Hij maakte hiertegen geen bezwaar, maar verzocht in 2021 om herziening van dit besluit, stellende recht te hebben op een hoger pensioen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of onjuistheden waren aangetoond.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat geen verifieerbaar bewijs werd geleverd dat de gegevens waarop de Svb zich baseerde onjuist waren. Appellant erkende dat hij in de niet-verzekerde perioden wel verzekerd was in Duitsland, maar voerde klachten aan over arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen en de hoogte van zijn pensioenen.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen niet relevant zijn voor de vaststelling van de AOW-verzekeringsperioden. De periode van arbeidsongeschiktheid is als verzekerde periode meegenomen. De hoogte van het AOW-pensioen is niet afhankelijk van eerdere uitkeringen of inkomsten. Bovendien heeft appellant geen recht op een partnertoeslag omdat hij pas in 2017 AOW-recht kreeg en niet vóór 2015 gehuwd was.

Het hoger beroep werd derhalve verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de korting op het AOW-pensioen wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitspraak

23.2242 AOW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 juli 2023, 22/486 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 20 november 2023
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: R.R. Olde Engberink
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2023. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
De besluiten van de Svb
1.1.
Bij besluit van 13 januari 2017 heeft de Svb aan appellant met ingang van 14 mei 2017 een ouderdomspensioen op grond van de AOW toegekend van 44% van het maximale AOWpensioen voor een gehuwde. De korting van 56% op het AOW-pensioen is gebaseerd op een periode van afgerond 28 jaar waarin appellant niet verzekerd is geacht voor de AOW. Het gaat daarbij om de niet verzekerde periode van 14 mei 1967 tot en met 10 oktober 1968 en de periode van 13 november 1972 tot en met 6 april 2000. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij brief van 8 augustus 2021 heeft appellant aan de Svb laten weten dat hij meent recht te hebben op een hoger AOW-pensioen. De Svb heeft deze brief aangemerkt als een verzoek om herziening van het besluit van 13 januari 2017.
1.3.
Bij besluit van 13 augustus 2021 heeft de Svb het verzoek om herziening afgewezen. Bij het bestreden besluit van 21 januari 2022 heeft de Svb het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Volgens de Svb kan de informatie die appellant heeft toegestuurd niet worden aangemerkt als nieuwe feiten of omstandigheden. Evenmin wordt de evidente onjuistheid van het besluit aangetoond. Niet is gebleken dat het AOW-pensioen bij het besluit van 13 januari 2017 onjuist is vastgesteld.
De uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft appellant geen enkel verifieerbaar bewijsstuk overgelegd waaruit blijkt dat de Svb ten onrechte van de gegevens uit Duitsland is uitgegaan.
De gronden in hoger beroep
3. Appellant bestrijdt niet dat hij in de tijdvakken waarin hij niet verzekerd is geacht voor de AOW wel verzekerd is geacht in Duitsland. Appellant heeft met name veel klachten geuit ten aanzien van zijn arbeidsongeschiktheidsbeoordeling door het Uwv in de jaren 2002 en daarna. Verder vindt appellant zijn ouderdomspensioenen veel te laag om van te leven. Hij wenst daarom ook een toeslag voor zijn echtgenote te ontvangen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dit berust. De rechtbank heeft in haar uitspraak uitgebreid uitgelegd waarom de in het verleden door het Uwv genomen beoordelingen en beslissingen in dit geding niet aan de orde kunnen komen. Appellant heeft verder geen argumenten naar voren gebracht waaruit zou moeten worden afgeleid dat de tijdvakken van verzekering voor de AOW onjuist zijn vastgesteld. De periode waarin appellant arbeidsongeschikt was, is als verzekerde periode meegenomen in het AOWpensioen. In de tijdvakken waarin appellant niet voor de AOW verzekerd is geacht, was hij in Duitsland verzekerd. De hoogte van het AOW-pensioen hangt niet af van de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de inkomsten uit arbeid die appellant heeft ontvangen voordat hij recht kreeg op een AOW-pensioen. Zoals ook ter zitting met appellant is besproken, bestaat alleen recht op een partnertoeslag voor personen die voor 1 januari 2015 gehuwd waren én recht hadden op een AOW-pensioen. Appellant kreeg pas in 2017 recht op een AOW-pensioen, zodat hij op een dergelijke toeslag geen recht heeft.
Conclusie
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.