ECLI:NL:CRVB:2023:2180

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 november 2023
Publicatiedatum
21 november 2023
Zaaknummer
23/2760 PW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:125 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:106 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening opschorting invordering bijstandsschuld

Verzoekster heeft bij het college bezwaar gemaakt tegen de terugvordering van een bedrag van €30.991,41 aan leenbijstand verstrekt over de periode 2017-2019. Na een besluit van het college en een uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, is hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Het college is overgegaan tot invordering van de schuld met een maandelijkse aflossingsverplichting van €256,64. Verzoekster heeft tegen deze invordering bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om de invordering op te schorten.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het college de invordering reeds heeft opgeschort in afwachting van het hoger beroep, zodat verzoekster geen actueel spoedeisend belang heeft bij de voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen zonder zitting. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot opschorting van de invordering van de bijstandsschuld wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

23/2760 PW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 21 november 2023
PROCESVERLOOP
Het college heeft met een besluit van 11 mei 2022 de aan verzoekster over de periode van 1 januari 2017 tot en met 10 augustus 2019 verstrekte leenbijstand ingevolge de Participatiewet tot een bedrag van € 30.991,41 van haar teruggevorderd. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college is met een besluit van 23 november 2022 (bestreden besluit) bij dat besluit gebleven.
De rechtbank heeft met de uitspraak van 4 augustus 2023, 23/53 (aangevallen uitspraak) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten.
Namens verzoekster heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Met het besluit van 18 september 2023 is het college overgegaan tot invordering van de als gevolg van de terugvordering ontstane schuld. Verzoekster is gehouden om een bedrag van € 256,64 per maand op de schuld af te lossen. Verzoekster heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Op grond van artikel 4:125 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het hoger beroep ook betrekking op dat besluit.
Bij brief van 22 september 2023 heeft het college meegedeeld dat de invordering zal worden opgeschort in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. Verzoekster lost vooralsnog niet af op de vordering.
Op 22 september 2023 heeft mr. I. Car, kantoorgenoot van mr. Moghni, een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het college heeft op 4 oktober 2023 een verweerschrift ingediend. Verzoekster heeft ter onderbouwing van het spoedeisend belang een nadere reactie ingediend.

OVERWEGINGEN

Samenvatting

In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening te treffen in de vorm van het opschorten van de invordering van bijstand. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het college heeft de invordering van de schuld immers opgeschort. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af.

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met het besluit van 21 december 2016 heeft het college aan verzoekster met ingang van
4 november 2016 bijstand verstrekt naar de norm voor een alleenstaande, in de vorm van een geldlening (leenbijstand). Met het besluit van 4 mei 2022 heeft het college de bijstand van verzoekster beëindigd, omdat zij met ingang van die datum een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet ontvangt.
1.2.
Daarop is de onder het procesverloop opgenomen besluitvorming gevolgd.
Het oordeel van de rechtbank
2. De rechtbank heeft met de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten.
Het verzoek om voorlopige voorziening
3. Verzoekster heeft aangevoerd dat het college met het besluit van 18 september 2023 is overgegaan tot invordering van de schuld die is ontstaan als gevolg van het bestreden besluit. Verzoekster ziet zich geconfronteerd met invordering van een bedrag van € 256,44 per maand. Het verzoek strekt ertoe dat het besluit van 18 september 2023 wordt geschorst.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
In artikel 8:83, derde lid, van de Awb is bepaald dat de voorzieningenrechter zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen uitspraak kan doen, onder meer, als het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is.
4.3.
Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft verzoekster aangevoerd dat de spoedeisendheid volgt uit het feit dat het instellen van hoger beroep op grond van artikel 8:106, eerste lid, onder a, van de Awb opschortende werking heeft. Het college was dan ook niet bevoegd over te gaan tot invordering, omdat verzoekster hoger beroep heeft ingesteld.
4.4.
De aard van het verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel (financieel) spoedeisend belang. Het college heeft verzoekster al bij brief van 22 september 2023 meegedeeld dat de invordering is opgeschort in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. Wat verzoekster met haar verzoek wenst te bereiken, heeft zij dus al bereikt. Hieruit vloeit voort dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
4.5.
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat er vanwege het ontbreken van spoedeisend belang geen noodzaak is voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter uitspraak zal doen zonder zitting.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal, in tegenwoordigheid van N. van der Horn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2023.
(getekend) E.C.E. Marechal
(getekend) N. van der Horn