ECLI:NL:CRVB:2023:1949
Centrale Raad van Beroep
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag AOW-pensioen wegens ontbreken verzekerings- en woonperioden in Nederland
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een AOW-pensioen, maar deze werd afgewezen omdat zij niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt en ook niet op andere gronden zelf verzekerd was voor de AOW. Haar echtgenoot was wel verzekerd voor de AOW in een periode van 1965 tot 1967, maar het huwelijk met appellante vond pas in 1971 plaats, waardoor deze verzekeringsperiode niet aan haar kan worden gelijkgesteld.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft het bezwaar van appellante tegen de afwijzing ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft deze beslissing bevestigd en de motivering van de Svb onderschreven. Appellante voerde aan dat zij ziek is, geen inkomen heeft en hoge medische kosten maakt, maar deze persoonlijke omstandigheden leiden niet tot een recht op AOW-pensioen volgens de geldende wet- en regelgeving.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van appellante ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad erkent de moeilijke positie van appellante, maar benadrukt dat de wettelijke criteria voor het verkrijgen van een AOW-pensioen niet zijn vervuld. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: De aanvraag om AOW-pensioen van appellante wordt afgewezen wegens ontbreken van verzekerings- en woonperioden in Nederland.