ECLI:NL:CRVB:2023:1464
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij oplegging WW-aanvraagverplichting
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en was ontheven van arbeidsverplichtingen van 1 juli 2017 tot 28 maart 2021. Het college van burgemeester en wethouders van Súdwest Fryslân legde haar op 22 april 2020 de verplichting op om een WW-uitkering aan te vragen wegens verlies van arbeidsuren. Appellante tekende bezwaar en beroep aan tegen deze besluiten en vroeg een WW-uitkering aan, die werd toegekend door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
In de procedure bij de Centrale Raad van Beroep stelde appellante dat het college geen verplichting tot aanvraag van een WW-uitkering mocht opleggen aan bijstandsgerechtigden die ondanks ontheffing van arbeidsverplichtingen werken en arbeidsuren verliezen. De Raad overwoog dat een algemeen of principieel belang onvoldoende is voor procesbelang. Omdat appellante inmiddels aan de verplichting had voldaan en de WW-uitkering was toegekend, had het hoger beroep geen feitelijke betekenis meer.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en kwam niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden. De opgelegde besluiten blijven in stand en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang omdat appellante de WW-uitkering heeft aangevraagd en toegekend gekregen.