ECLI:NL:CRVB:2023:1392

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 juli 2023
Publicatiedatum
19 juli 2023
Zaaknummer
21 / 3658 WSFBSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep door minister

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Vervolgens trok de minister het hoger beroep in, waarmee zij geheel aan betrokkene tegemoetkwam. Betrokkene verzocht daarop om een proceskostenveroordeling tegen de minister.

De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de minister het hoger beroep had ingetrokken en dat daarmee aan betrokkene was tegemoetgekomen. Op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan in dat geval worden veroordeeld in de proceskosten.

De Raad veroordeelde de minister daarom in de proceskosten die betrokkene redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 837,-. Het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten en de beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2023.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 837,-.

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 juli 2023
21/3658 WSFBSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
1 september 2021, 20/4178 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Namens betrokkene heeft mr. C.E. van der Starre, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 28 september 2022 heeft de minister het hoger beroep ingetrokken.
Bij bericht van 3 november 2022 heeft betrokkene de Raad verzocht de minister te veroordelen in de proceskosten.
De minister heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat de minister het hoger beroep heeft ingetrokken en aanleiding ziet uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank. Hiermee is aan betrokkene tegemoetgekomen.
De minister wordt veroordeeld in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 837,- (1 punt voor het indienen van het verweerschrift).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de minister in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2023.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen