Uitspraak
21.4460 WIA
drs. J.C. van Beek.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een taxichauffeur die sinds mei 2018 arbeidsongeschikt is, vroeg in februari 2020 een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering per 11 mei 2020 omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had uitgevoerd en de beperkingen correct waren verwerkt in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep stelde appellante dat haar schouderklachten ernstiger waren en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar hypermobiliteit, ondergewicht en nek- en hoofdpijnklachten. Zij vroeg ook om een onafhankelijk deskundige. Het UWV stelde een aangepaste FML op met extra beperkingen, maar de arbeidsdeskundige stelde de arbeidsongeschiktheid nog steeds op 0%.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, de beperkingen adequaat waren meegenomen en dat de FML van 26 april 2022 een juiste weergave gaf van de functionele mogelijkheden. Het verzoek om een onafhankelijk deskundige werd afgewezen wegens gebrek aan twijfel over de medische beoordeling. Hoewel het besluit formeel ondeugdelijk was gemotiveerd, was appellante hierdoor niet benadeeld. Het hoger beroep werd verworpen, de eerdere uitspraak bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
De Raad veroordeelde het UWV wel tot vergoeding van de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep, inclusief griffierechten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en wijst het hoger beroep af.