ECLI:NL:CRVB:2022:927

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 april 2022
Publicatiedatum
3 mei 2022
Zaaknummer
21/1159 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep tegen besluit Sociale verzekeringsbank

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb). Tijdens de zitting gaf de Svb aan het bestreden besluit van 2 september 2020 niet langer te handhaven en een nieuw besluit te zullen nemen. Naar aanleiding hiervan trok appellante het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestuursorgaan, dat het besluit intrekt en tegemoetkomt aan de indiener van het beroep, op verzoek kan worden veroordeeld in de proceskosten.

De Raad achtte het redelijk dat de Svb de proceskosten vergoedt die appellante heeft moeten maken voor de behandeling van het beroep en hoger beroep. De kosten werden begroot op in totaal €3.036,-, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan op 14 april 2022 door rechter M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier L. van Bentum.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Sociale verzekeringsbank tot betaling van €3.036,- aan proceskosten aan appellante.

Uitspraak

21.1159 AKW

Datum uitspraak: 14 april 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 februari 2021, 20/3391 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend
.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2022. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Willering. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers.
Ter zitting heeft de Svb de Raad meegedeeld dat het besluit van 2 september 2020 (bestreden besluit) niet langer wordt gehandhaafd en dat de Svb een nieuw besluit zal nemen.
Mr. Willering heeft vervolgens ter zitting namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de Svb te veroordelen in de proceskosten.

OVERWEGINGEN

1. In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat de Svb het bestreden besluit heeft ingetrokken en een nieuw besluit op bezwaar zal nemen. De Svb heeft ingestemd met vergoeding van de kosten gemaakt in onderhavige procedure.
3. De Raad ziet aanleiding om de Svb te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep in de onderhavige procedure redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.518,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,-) en € 1.518,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,-), totaal € 3.036,- voor verleende rechtsbijstand.
4. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot de Svb wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Svb in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.036,-.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van L. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2022.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) L. van Bentum