ECLI:NL:CRVB:2022:868
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding in bestuursrechtelijke zaak
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De aangevallen uitspraak werd op 13 augustus 2021 aan partijen toegezonden, waarna de termijn voor het instellen van hoger beroep zes weken bedroeg. Het beroepschrift werd echter pas op 15 oktober 2021 bij de rechtbank ontvangen, ruim na het verstrijken van de termijn.
De gemachtigde van appellant voerde aan dat hij door zijn lichamelijke gesteldheid, waaronder corona en quarantaine, niet eerder in staat was het hoger beroep in te stellen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze omstandigheden geen redelijke grond boden om te concluderen dat appellant niet in verzuim was. Tevens werd overwogen dat het aan de gemachtigde lag om bij belemmeringen derden in te schakelen om tijdig een beroepschrift in te dienen.
Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling van de zaak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door E.C.R. Schut, in aanwezigheid van griffier K.R. van Renswoude, op 5 april 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.