Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:539

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 maart 2022
Publicatiedatum
16 maart 2022
Zaaknummer
20/420 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 3 aanhef en onder a TW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking toeslag WAO wegens gezamenlijke huishouding met partner

Appellante ontvangt sinds 2009 een WAO-uitkering en sinds 2015 een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Naar aanleiding van een melding dat zij samenwoonde met X, voerde het UWV een onderzoek uit. Uit verklaringen en bankafschriften bleek dat X vanaf juni 2016 bij appellante woonde en dat zij een gezamenlijke huishouding voerden.

Het UWV trok daarom de toeslag over de periode juli 2016 tot november 2017 in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij niet samenwoonde met X, maar de Raad vond de onderzoeksbevindingen en haar eigen verklaring voldoende concreet om het gezamenlijke hoofdverblijf vast te stellen.

De Raad oordeelde dat de motieven en aard van de relatie niet relevant zijn, maar dat objectieve criteria en het zwaartepunt van het persoonlijk leven bepalend zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de toeslag bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de toeslag bevestigd.

Uitspraak

20.420 TW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
13 december 2019, 18/3257 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 15 maart 2022
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.Tj. van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dalen. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door S. Praagman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 27 januari 2009 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en sinds 25 september 2015 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW).
1.2.
Naar aanleiding van een telefonische melding van X op 8 januari 2018 dat hij heeft samengewoond met appellante, heeft een handhavingsdeskundige van het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende toeslag. In dat kader heeft de handhavingsdeskundige bankafschriften van appellante opgevraagd en op 26 februari 2018 een gesprek met haar gevoerd. Appellante heeft hier onder meer verklaard dat zij een relatie heeft gehad met X, dat deze zestien maanden heeft geduurd en op 17 november 2017 is beëindigd. X is half juni 2016 bij appellante komen wonen. Hij was visser en veel op zee en stond daarom niet bij appellante ingeschreven. Hij was soms een week tot tien dagen weg, daarna was hij dan weer voor een weekend thuis. Wanneer hij langer weg was geweest, dan was hij voor vier dagen thuis. Ze deden alles in huis samen. De kosten deelden ze samen. Al vanaf juli 2016 zijn de inkomsten van X op de rekening van appellante bijgeschreven. Appellante had altijd toegang tot het geld en heeft dit geld ook gebruikt. In december 2017 heeft de laatste storting plaatsgevonden en ook dat geld heeft appellante gebruikt. X had zelf geen adres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 maart 2018.
1.3.
Bij besluiten van 8 mei 2018 en 9 mei 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
10 september 2018 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het Uwv de toeslag van appellante over de periode van 1 juli 2016 tot en met 30 november 2017 vastgesteld op € 0,- per maand (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten over deze periode tot een bedrag van € 2.248,58 van appellante teruggevorderd. Het Uwv heeft aan deze besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met X, waardoor zij geen recht heeft op toeslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 juli 2016 tot en met 30 november 2017.
4.2.
Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de TW wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het vierde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4.3.
De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.
4.4.
Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
4.5.
Uitsluitend in geschil is of appellante en X in de te beoordelen periode gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad in de woning van appellante.
4.6.
Anders dan appellante heeft aangevoerd, bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie van het Uwv dat X in de te beoordelen periode samen met appellante zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van appellante. Hiervoor is met name de gedetailleerde verklaring van appellante van 26 februari 2018 van belang. Zo heeft zij onder meer verklaard dat X half juni 2016 bij haar is komen wonen en bij haar was als hij niet op zee was. Dat appellante niet juridisch onderlegd is en ten tijde van het afleggen van de verklaring in de war was, wat daar ook van zij, betekent niet dat geen waarde kan worden gehecht aan haar verklaring. Deze verklaring is immers voldoende concreet en specifiek. Weliswaar bracht X voor zijn werk als visser een groot deel van de week door op zee, maar van daaruit keerde hij telkens weer terug naar de woning van appellante. Dat hij in het weekend ook weleens met vrienden afsprak, doet er daarom niet aan af dat zijn uitvalsbasis bij appellante was. Voor zover appellante tot slot heeft betoogd dat de melding van X onbetrouwbaar is, omdat zij uit elkaar zijn gegaan, geldt dat de inhoud van de melding overeenkomt met de verklaring van appellante. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
4.7
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2022.
(getekend) M. Hillen
(getekend) Y. Al-Qaq
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.