ECLI:NL:CRVB:2022:539
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toeslag WAO wegens gezamenlijke huishouding met partner
Appellante ontvangt sinds 2009 een WAO-uitkering en sinds 2015 een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Naar aanleiding van een melding dat zij samenwoonde met X, voerde het UWV een onderzoek uit. Uit verklaringen en bankafschriften bleek dat X vanaf juni 2016 bij appellante woonde en dat zij een gezamenlijke huishouding voerden.
Het UWV trok daarom de toeslag over de periode juli 2016 tot november 2017 in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij niet samenwoonde met X, maar de Raad vond de onderzoeksbevindingen en haar eigen verklaring voldoende concreet om het gezamenlijke hoofdverblijf vast te stellen.
De Raad oordeelde dat de motieven en aard van de relatie niet relevant zijn, maar dat objectieve criteria en het zwaartepunt van het persoonlijk leven bepalend zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de toeslag bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de toeslag bevestigd.