Appellant, sinds 2007 werkzaam bij de politie, sloot in 2004 en 2012 hypothecaire leningen af bij investeringsmaatschappij X te Curaçao. Na een strafrechtelijk onderzoek tegen zijn broer, die betrokken was bij deze maatschappij, werd appellant in 2017 ontslagen wegens vermeend plichtsverzuim. De korpschef stelde dat appellant had moeten vermoeden dat de hypotheekverstrekker niet bonafide was en daarmee medeplichtig was aan witwaspraktijken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het ontslag. Echter, appellant werd in 2021 vrijgesproken van witwassen door de rechtbank Midden-Nederland, die oordeelde dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat appellant wist of had moeten vermoeden dat de gelden van misdrijf afkomstig waren.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de feiten onvoldoende zijn om te concluderen dat appellant plichtsverzuim heeft gepleegd. De hypotheekvoorwaarden waren marktconform, een notaris was betrokken en er was geen reden voor appellant om argwaan te hebben. Het ontslag wordt daarom vernietigd en het besluit herroepen.
De Raad veroordeelt de korpschef tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten aan appellant. Hiermee wordt het vertrouwen in een zorgvuldige en rechtvaardige behandeling van ambtenaren bevestigd.