ECLI:NL:CRVB:2022:2669

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 december 2022
Publicatiedatum
13 december 2022
Zaaknummer
20/2065 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking bestuursbesluit door gemeente

Appellant stelde hoger beroep in tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage. Het college trok het primaire besluit van 28 november 2018 in, waarmee zij tegemoetkwamen aan de bezwaren van appellant. Vervolgens trok appellant het hoger beroep in en verzocht de Raad het college te veroordelen in de proceskosten.

De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht het bestuursorgaan bij intrekking van het besluit en het beroep op verzoek van de indiener in de kosten kan worden veroordeeld. Het college achtte het niet onredelijk om in de proceskosten te worden veroordeeld.

De Raad veroordeelde het college in de proceskosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 1.518,- in beroep en € 759,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De vergoeding van het griffierecht kan appellant rechtstreeks bij het college claimen. De uitspraak werd gedaan door rechter C.E.M. Marsé op 13 december 2022.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.277,-.

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 december 2022
20/2065 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
14 april 2020, 19/2604 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft op 3 januari 2022 het primaire besluit van 28 november 2018 ingetrokken.
Bij brief van 16 januari 2022 heeft mr. J.P.C.M. van Es namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft in zijn reactie van 9 februari 2022 aangegeven het niet onredelijk te achten dat het in de proceskosten wordt veroordeeld.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het college met het intrekken van het besluit van 28 november 2018 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.518,- in beroep en € 759,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het college wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.277,-.
Deze uitspraak is gedaan door C.E.M. Marsé, in tegenwoordigheid van D. van der Boom als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2022.
(getekend) C.E.M. Marsé
(getekend) D. van der Boom