Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:2240

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 oktober 2022
Publicatiedatum
19 oktober 2022
Zaaknummer
18/133 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep WIA-uitkering na gewijzigde beslissing UWV

Appellante ontving vanaf 2012 een WGA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV beëindigde deze uitkering in 2016 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante eveneens ongegrond.

Tijdens het hoger beroep wijzigde het UWV in 2021 het besluit en herstelde de WGA-uitkering per 22 juni 2016, waarmee het bezwaar van appellante werd gegrond verklaard. Appellante kon zich met deze wijziging verenigen. Vervolgens kende het UWV in 2022 een IVA-uitkering toe, waartegen werkgeefster bezwaar maakte. Dit bezwaar werd eveneens gewijzigd door het UWV.

De Raad oordeelde dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang, omdat het gewijzigde besluit volledig tegemoetkomt aan haar vordering. Ook het beroep van werkgeefster werd niet-ontvankelijk verklaard. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante en werkgeefster.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante en het beroep van werkgeefster zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na wijziging van het UWV-besluit.

Uitspraak

18.133 WIA, 21/4447 WIA

Datum uitspraak: 19 oktober 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
24 november 2017, 16/3009 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[naam B.V.] B.V. te [vestigingsplaats] (werkgeefster)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C. Karharman, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Karharman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. Werkgeefster heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend en vragen gesteld aan het Uwv. Het Uwv heeft rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en een gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst ingediend. Appellante heeft daarop gereageerd.
De Raad heeft verzekeringsarts P.J.A.J. van Amelsfoort als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 29 juli 2021 rapport uitgebracht.
Het Uwv heeft op 12 oktober 2021 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Werkgeefster heeft hiertegen gronden aangevoerd.
Het Uwv heeft op 21 maart 2022 opnieuw een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellante ontving vanaf 29 november 2012 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 80 tot 100%. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 21 april 2016 de WGA-uitkering beëindigd per 22 juni 2016, op de grond dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Bij beslissing op bezwaar van 4 november 2016 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de beslissing op bezwaar van 4 november 2016 ongegrond verklaard.
2. Tijdens de procedure in hoger beroep heeft het Uwv op 12 oktober 2021 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarin het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 april 2016 alsnog gegrond is verklaard. De mate van arbeidsongeschiktheid is per 22 juni
2016 vastgesteld op 80 tot 100%, wat betekent dat de WGA-uitkering ten onrechte is beëindigd. Appellante heeft te kennen gegeven dat zij zich kan verenigen met deze gewijzigde beslissing op bezwaar.
3. Werkgeefster heeft in reactie op de gewijzigde beslissing op bezwaar naar voren gebracht dat het Uwv ten onrechte niet heeft beoordeeld of appellante in aanmerking zou moeten komen voor een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering. Op 21 maart 2022 heeft het Uwv opnieuw een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarin per 22 juni 2016 een IVA-uitkering aan appellante is toegekend.
4. Werkgeefster kan zich verenigen met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 21 maart 2022.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ten aanzien van het hoger beroep van appellante
6. In de gewijzigde beslissing op bezwaar van 12 oktober 2021 is de WGA-uitkering van appellante per 22 juni 2016 ongewijzigd voortgezet. Hiermee is, zoals ook door haar is bevestigd, volledig tegemoet gekomen aan het hoger beroep van appellante. Dit hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
7. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.518,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en € 3.036,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en viermaal een halve punt voor het desgevraagd verstrekken van schriftelijke inlichtingen), in totaal € 4.554,-voor verleende rechtsbijstand. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Ten aanzien van het beroep van werkgeefster
8. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb wordt werkgeefster geacht van rechtswege beroep te hebben ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 12 oktober 2021. Met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 21 maart 2022 is volledig aan dit beroep tegemoet gekomen. Het beroep van werkgeefster tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar van 12 oktober 2021 zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
9. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van werkgeefster. Deze kosten worden begroot op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). Van door het Uwv aan werkgeefster te vergoeden griffierecht is geen sprake, omdat van werkgeefster geen griffierecht is geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van werkgeefster tegen de beslissing op bezwaar van 12 oktober 2021 niet-ontvankelijk;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.554,-;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van werkgeefster tot een bedrag van € 759,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2022.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) E.X.R. Yi