ECLI:NL:CRVB:2022:2232
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening WW-uitkering wegens onvoldoende aannemelijkheid arbeid tijdens ziekte en Furlough-periode
Verzoeker trad op 6 januari 2020 in dienst bij een organisatie in Londen met een contract tot 5 juli 2020. Kort daarna werd een ernstige ziekte vastgesteld, waarbij op medische gronden arbeidsgeschiktheid van 7 februari tot 4 mei 2020 werd uitgesloten. Verzoeker keerde op 1 maart 2020 terug naar Nederland voor behandeling. Tijdens de COVID-19-pandemie gold in het Verenigd Koninkrijk de Furlough-regeling, waarover verzoeker deels Furlough Pay ontving.
Op 6 juli 2020 vroeg verzoeker een WW-uitkering aan, welke door het UWV werd afgewezen omdat hij niet als werknemer in Nederland werd beschouwd. De rechtbank oordeelde echter dat verzoeker op grond van EU-verordening recht had op een Nederlandse WW-uitkering, ondanks ziekte. Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat verzoeker niet voldeed aan de referte-eis van artikel 17 WW Pro omdat hij in de weken met Statutory Sick Pay (SSP) niet had gewerkt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat niet voldoende aannemelijk was dat verzoeker in alle SSP-weken om andere redenen dan ziekte niet had gewerkt. Ook was niet duidelijk dat hij vanaf maart 2020 niet arbeidsongeschikt was en dat de werkgever hem verbood te werken vanwege COVID-19. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verzoeker krijgt de gelegenheid in de bodemprocedure aanvullende stukken te overleggen om zijn stellingen te onderbouwen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot betaling van een WW-uitkering wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat verzoeker aan de referte-eis voldoet.