ECLI:NL:CRVB:2022:20
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in socialezekerheidszaak
In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. Volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Het ingediende beroepschrift voldeed hier niet aan doordat het geen gronden bevatte.
De gemachtigde van appellante is bij brief van 9 augustus 2021 in de gelegenheid gesteld dit te herstellen binnen vier weken, maar heeft deze termijn ongebruikt laten verlopen. Vervolgens is bij aangetekende brief van 9 september 2021 nogmaals een termijn van vier weken gesteld met de waarschuwing dat bij overschrijding de zaak niet inhoudelijk zal worden behandeld. Ook deze termijn is ongebruikt voorbijgegaan.
Er zijn geen verontschuldigingen voor het verzuim gebleken. De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut op 4 januari 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.