Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:1680

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 juli 2022
Publicatiedatum
2 augustus 2022
Zaaknummer
20/4444 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54, vierde lid, ParticipatiewetArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking daklozenuitkering wegens schending inlichtingenplicht

Appellante ontving vanaf februari 2019 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, aangepast naar de daklozennorm omdat zij gebruik maakte van de nachtopvang. Uit het registratiesysteem van de nachtopvang bleek dat zij voor het laatst op 27 mei 2019 verbleef. Het college verzocht haar om opheldering over haar verblijfplaats vanaf 28 mei 2019, maar appellante gaf geen reactie. Hierdoor werd haar bijstand per 1 september 2019 opgeschort en later ingetrokken, met terugvordering van de reeds ontvangen uitkering.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij haar inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat zij niet langer in de nachtopvang verbleef en geen alternatieve verblijfplaats had opgegeven. Dit maakte het onmogelijk om haar recht op bijstand vast te stellen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het college zelf over de informatie beschikte en dat zij bewijs had dat zij wel in de nachtopvang verbleef, maar kon dit niet onderbouwen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante onvoldoende had gemotiveerd waarom de rechtbank onjuist had geoordeeld en dat het college terecht van de juistheid van het registratiesysteem was uitgegaan. De Raad bevestigde dat de inlichtingenplicht vereist dat appellante zelf melding doet van wijzigingen in haar verblijfplaats. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de uitkering gehandhaafd.

Uitkomst: De intrekking van de daklozenuitkering wegens schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.

Uitspraak

20 4444 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 november 2020, 20/2888 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 19 juli 2022

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Z.M. Nasir, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Aan partijen is meegedeeld dat het vooronderzoek is afgerond. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. De Raad heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving vanaf 12 februari 2019 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante maakte gebruik van de nachtopvang van het Leger des Heils en had geen woonkosten. Daarom heeft het college de norm verlaagd met 20% van het nettoloon (daklozenuitkering).
1.2.
Op 6 september 2019 heeft een medewerker van de gemeente Rotterdam een nachtencontrole uitgevoerd en daarbij het registratiesysteem Elise geraadpleegd. In dit systeem wordt eenieder geregistreerd die gebruik maakt van de nachtopvang. Aan de hand van dit systeem is vastgesteld dat 27 mei 2019 de laatste nacht was dat appellante in de nachtopvang had geslapen. Bij brief van 6 september 2019 is appellante verzocht in een schriftelijke verklaring te verantwoorden waar en bij wie zij de nachten vanaf 28 mei 2019 verbleef. Omdat appellante deze gegevens niet heeft verstrekt, heeft het college bij besluit van 19 september 2019 het recht op bijstand met ingang van 1 september 2019 opgeschort. Appellante is hierbij in de gelegenheid gesteld om de gevraagde gegevens uiterlijk 26 september 2019 alsnog te overleggen. Dit heeft appellante niet gedaan.
1.3.
Bij besluit van 14 oktober 2019 (besluit 1) heeft het college met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW de bijstand van appellante met ingang van 1 september 2019 ingetrokken.
1.4.
Bij besluit van 15 oktober 2019 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 28 mei 2019 tot en met 31 augustus 2019 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand, na verrekening met een bedrag aan reserveringen van € 1.500,-, tot een bedrag van € 665,22 van haar teruggevorderd.
1.5.
Bij besluit van 3 januari 2020 (besluit 3) heeft het college de terugvordering gebruteerd en het terug te betalen bedrag verhoogd met een bedrag van € 74,83 aan afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen.
1.6.
Bij besluit van 21 april 2020 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. Het college heeft, voor zover hier van belang, aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij vanaf 28 mei 2019 niet meer in de opvang sliep en niet heeft gereageerd op de brieven van 6 en 19 september 2019. Als gevolg hiervan is sprake van een onduidelijke feitelijke woon- en verblijfplaats en kan niet worden vastgesteld of appellante nog recht heeft op een daklozenuitkering.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen, waarbij voor verweerder het college en voor eiseres appellante moet worden gelezen.
“4.2. De rechtbank stelt voorop dat eiseres niet heeft betwist dat zij de op 6 en 19 september 2019 gevraagde informatie over haar verblijfplaats niet heeft overgelegd en dat verweerder daarom haar uitkering met ingang van 1 september 2019 heeft kunnen intrekken op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw. Partijen zijn verdeeld over de vraag of eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden en verweerder daarom de uitkering al met ingang van 28 mei 2019 heeft kunnen intrekken en terugvorderen.
4.3.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat uit het registratiesysteem Elise kan worden opgemaakt dat eiseres voor het laatst op 27 mei 2019 in de nachtopvang heeft verbleven. Verweerder heeft van de juistheid van deze informatie mogen uitgaan. Nu eiseres niet langer in de nachtopvang verbleef, had het op haar weg gelegen om verweerder hiervan melding te doen en door te geven waar zij dan wel verbleef. Dit heeft eiseres niet gedaan, wat maakt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Hiertoe is van belang dat eisers een uitkering naar de daklozennorm ontving en het dus evident is dat het niet langer in de daklozenopvang verblijven van invloed kan zijn op haar uitkering.
4.4.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor herziening van de bijstand indien als gevolg daarvan ten onrechte of te veel bijstand is ontvangen. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Hierin is eiseres niet geslaagd. Ondanks verschillende verzoeken van verweerder heeft eiseres nog altijd niet met stukken onderbouwd waar zij sinds 28 mei 2019 heeft verbleven. Haar enkele stelling dat zij in de daklozenopvang verbleef, komt niet overeen met de gegevens uit het registratiesysteem Elise zodat verweerder hieraan terecht is voorbij gegaan. Nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt waar zij gedurende de in geding zijnde periode haar hoofdverblijf had, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.”
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het college niet te informeren over haar verblijf in de nachtopvang, aangezien het college zelf over deze informatie beschikt. Verder heeft appellante vermeld dat zij in afwachting is van stukken waaruit blijkt dat zij wel degelijk in de betrokken periode in de nachtopvang verbleef.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat in beroep is aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken grond in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel berust.
4.2.
De Raad voegt daar nog aan toe dat appellante de stukken waaruit blijkt dat zij vanaf 28 mei 2019 in de nachtopvang heeft verbleven ook in hoger beroep niet heeft verstrekt. Verder laat de omstandigheid dat het college via het registratiesysteem zelf kan nagaan op welke dagen appellante in de nachtopvang heeft verbleven onverlet dat zij op grond van de op haar rustende inlichtingenverplichting het college zelf had moeten melden dat zij vanaf 28 mei 2019 niet meer in de nachtopvang verbleef en duidelijkheid had moeten geven over waar zij vanaf dat moment dan wel had verbleven.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2022.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) B. Beerens