ECLI:NL:CRVB:2022:1680
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking daklozenuitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontving vanaf februari 2019 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, aangepast naar de daklozennorm omdat zij gebruik maakte van de nachtopvang. Uit het registratiesysteem van de nachtopvang bleek dat zij voor het laatst op 27 mei 2019 verbleef. Het college verzocht haar om opheldering over haar verblijfplaats vanaf 28 mei 2019, maar appellante gaf geen reactie. Hierdoor werd haar bijstand per 1 september 2019 opgeschort en later ingetrokken, met terugvordering van de reeds ontvangen uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij haar inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat zij niet langer in de nachtopvang verbleef en geen alternatieve verblijfplaats had opgegeven. Dit maakte het onmogelijk om haar recht op bijstand vast te stellen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het college zelf over de informatie beschikte en dat zij bewijs had dat zij wel in de nachtopvang verbleef, maar kon dit niet onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante onvoldoende had gemotiveerd waarom de rechtbank onjuist had geoordeeld en dat het college terecht van de juistheid van het registratiesysteem was uitgegaan. De Raad bevestigde dat de inlichtingenplicht vereist dat appellante zelf melding doet van wijzigingen in haar verblijfplaats. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking van de daklozenuitkering wegens schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.