Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:122

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2022
Publicatiedatum
20 januari 2022
Zaaknummer
19/3300 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:118 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bestuursorgaan in proceskosten na intrekking hoger beroep

In deze zaak heeft het bestuursorgaan (appellant) hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Betrokkene, vertegenwoordigd door een advocaat, heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft het bestuursorgaan het hoger beroep ingetrokken. Betrokkene heeft daarop verzocht het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten.

De Centrale Raad van Beroep heeft het onderzoek zonder zitting gesloten en overwogen dat op grond van artikel 8:118, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestuursorgaan bij intrekking van het hoger beroep kan worden veroordeeld in de proceskosten. De Raad heeft het bestuursorgaan veroordeeld tot betaling van de proceskosten die betrokkene redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 759,-.

De uitspraak is gedaan door rechter H. Benek, in aanwezigheid van griffier K.R. van Renswoude, en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2022.

Uitkomst: Het bestuursorgaan wordt veroordeeld tot betaling van € 759,- aan proceskosten aan betrokkene.

Uitspraak

Datum uitspraak: 20 januari 2022
19/3300 WLZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 juni 2019, 18/1380
Partijen:
CIZ (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. T.M.J. Oosterhuis-Putter, advocaat, op 9 juni 2021 een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 21 september 2021 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.
Namens betrokkene heeft mr. Oosterhuis-Putter verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten.
Appellant heeft geen verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:118, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Gelet hierop wordt appellant veroordeeld in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 759,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door H. Benek, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2022.
(getekend) H. Benek
(getekend) K.R. van Renswoude