Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:113

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 januari 2022
Publicatiedatum
19 januari 2022
Zaaknummer
19/4133 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 PWArt. 16 PWRegeling zorgverzekeringZorgverzekeringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten bril wegens voorliggende voorziening Zorgverzekeringswet

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van een bril, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam werd afgewezen. Het college baseerde zich op de Zorgverzekeringswet (Zvw) als voorliggende voorziening die in beginsel passend en toereikend is. De wetgever heeft bewust gekozen om de kosten van een bril niet binnen de basisverzekering te vergoeden.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de Participatiewet (PW) geen recht bestaat op bijstand voor kosten die in de voorliggende voorziening niet noodzakelijk zijn. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en onderstreept dat de Zvw en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering als passende voorliggende voorziening gelden.

Hoewel appellant een aanvullende verzekering heeft die slechts gedeeltelijk vergoedt, en ondanks dat in een andere gemeente wel bijzondere bijstand voor een bril wordt toegekend, is het college niet verplicht dit ook te doen vanwege de gedecentraliseerde uitvoering van de PW. Tevens is niet gebleken van zeer dringende redenen die bijzondere bijstand zouden rechtvaardigen. De afwijzing van de aanvraag blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van een bril wordt afgewezen omdat de Zorgverzekeringswet als passende voorliggende voorziening geldt.

Uitspraak

19.4133 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 augustus 2019, 19/459 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 11 januari 2022
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BA, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2022. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Maduro. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F. Jim en I. Keric.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Bij besluit van 18 september 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 januari 2019 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de kosten van een bril afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) in beginsel als een passende en toereikende voorliggende voorziening moet worden beschouwd. De wetgever heeft een bewuste keus gemaakt om de kosten van een bril niet te vergoeden binnen de basisverzekering. Van een acute noodsituatie is volgens het college niet gebleken.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de Participatiewet (PW) bestaat geen recht op bijstand voor kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Als in de voorliggende voorziening de bewuste keus is gemaakt dat het vergoeden van deze kosten niet noodzakelijk is, kan de bijstandverlenende instantie daarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand toekennen.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 12 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2509) zijn de Zvw en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering voor de kosten van brillen in beginsel aan te merken als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening. In deze regelgeving is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten van brillen, zodat (aanvullende) bijzondere bijstandsverlening niet aan de orde is. Het maakt hierbij niet uit dat de aanvullende verzekering van appellant alleen een gedeelte van de kosten vergoedt.
Dat, wat hier ook van zij, in de gemeente [gemeente] wel bijzondere bijstand voor de kosten van een bril is toegekend, betekent niet dat het college gehouden is dat ook te doen. De PW voorziet immers in gedecentraliseerde uitvoering. De mogelijkheid van een verschillende uitvoering per gemeente is daarmee gegeven.
Op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd verklaard dat geen sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J. Oosterveen (getekend) M. van Paridon