ECLI:NL:CRVB:2021:903

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2021
Publicatiedatum
22 april 2021
Zaaknummer
20/2783 WIA-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht afgewezen

De Centrale Raad van Beroep behandelde het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn. Appellant gaf aan problemen te hebben met zijn bewindvoerder, die de factuur niet heeft verwerkt. Ondanks deze omstandigheden oordeelde de Raad dat de verantwoordelijkheid voor tijdige betaling bij appellant ligt.

Appellant is afhankelijk van een bewindvoerder en wil per 1 juni 2021 hiervan af zijn. De Raad erkent de betreurenswaardige situatie, maar stelt dat het handelen van de bewindvoerder niet leidt tot ontsnapping aan het verzuim. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat het niet voldoen aan griffierecht binnen de termijn, ook door toedoen van een bewindvoerder, voor risico van de appellant komt.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht, waarvoor appellant verantwoordelijk is.

Uitspraak

Datum uitspraak: 22 april 2021
20/2783 WIA-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2020, 19/5389 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 29 december 2020 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 9 april 2021, waar appellant is verschenen.
Het Uwv heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 29 december 2020 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In het verzetschrift en ter zitting heeft appellant te kennen gegeven veel problemen te hebben gehad met zijn bewindvoerder. De bewindvoerder doet niets met zijn post en heeft waarschijnlijk ook niets gedaan met de factuur die appellant hem had toegezonden. Appellant wil niet meer onder bewind staan en is daar per 1 juni 2021 vanaf maar is nu nog voor zijn financiën afhankelijk van een bewindvoerder.
Hoewel de door appellant geschetste feiten en omstandigheden te betreuren zijn is de Raad van oordeel dat in het geval dat het griffierecht niet of niet tijdig wordt voldaan door het handelen van een bewindvoerder, dit voor rekening en risico van appellant komt.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2021.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) E.M. Welling