ECLI:NL:CRVB:2021:757
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaam gescheiden leven bij toekenning AOW-pensioen
Appellant, gehuwd sinds 2011, vroeg in mei 2018 een ouderdomspensioen aan op grond van de AOW. De Sociale verzekeringsbank startte een onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie. Uit het onderzoek en een huisbezoek bleek dat appellant en zijn echtgenote niet duurzaam gescheiden leefden, ondanks dat zijn echtgenote sinds eind 2015 in Polen en later op de Filipijnen woonde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en kende het pensioen toe volgens de gehuwdennorm. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de situatie was veranderd, met onder meer het opheffen van een gezamenlijke bankrekening en het feit dat hij zijn echtgenote maandelijks financieel ondersteunde uit morele overwegingen.
De Raad oordeelde dat duurzaam gescheiden leven niet afhankelijk is van samenwonen, maar van het feit of de echtelijke samenleving is verbroken en ieder afzonderlijk een eigen leven leidt alsof men niet gehuwd is. Uit de feiten bleek dat er nog contact en financiële betrokkenheid was, gezamenlijke bankrekeningen en gezamenlijke vakanties, waardoor niet voldaan was aan de criteria voor duurzaam gescheiden leven.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, dat appellant recht heeft op een ouderdomspensioen volgens de gehuwdennorm. Veranderingen na de peildatum konden niet meewegen in deze beoordeling.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een AOW-pensioen voor ongehuwden omdat geen duurzaam gescheiden leven is vastgesteld.