ECLI:NL:CRVB:2021:652
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing dwangsombesluit wegens prematuur ingediende ingebrekestelling
Appellante had bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van bijzondere bijstand en haar gemachtigde verzocht om uitstel voor het indienen van aanvullende bezwaarschriftgronden. Het college stemde hiermee in en verlengde de beslistermijn met vier weken. Appellante stelde het college vervolgens in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing en eiste een dwangsom.
Het college wees het verzoek om een dwangsom af omdat de ingebrekestelling werd ontvangen terwijl de beslistermijn nog niet verstreken was, mede door de overeengekomen verlenging. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat de beslistermijn was opgeschort.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de rechtbank ten onrechte sprak van opschorting maar dat het college terecht uitging van instemming met verder uitstel volgens artikel 7:10, vierde lid, onder b, van de Awb. De Raad bevestigt dat de ingebrekestelling prematuur was en dat de verlenging van de beslistermijn niet eindigde bij verzending van de ingebrekestelling, omdat appellante onvoorwaardelijk instemde met een duidelijke en beperkte verlenging.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de aangevallen uitspraak zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college terecht de dwangsom heeft afgewezen omdat de ingebrekestelling prematuur was door instemming met uitstel.