ECLI:NL:CRVB:2021:586
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet gemelde gokactiviteiten en stortingen
Appellante ontving sinds 2011 bijstand en werd onderzocht na een anonieme melding over een gezamenlijke huishouding. Uit het onderzoek bleek dat zij sinds 2013 regelmatig gokte en aanzienlijke bedragen op haar bankrekening stortte en bijgeschreven kreeg, zonder dit te melden aan het college. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in vanaf 2013 wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep stelde appellante dat zij geen inkomsten uit gokken had en dat de stortingen afkomstig waren van derden. De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden omdat zij de informatie niet uit eigen beweging had verstrekt en geen objectief bewijs leverde dat zij verlies had geleden of dat de stortingen van derden waren.
Hierdoor kon het college het recht op bijstand niet vaststellen over de gehele periode. De Raad bevestigde daarom de intrekking van de bijstand en verwierp het hoger beroep. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet gemelde gokactiviteiten en stortingen wordt bevestigd.