Uitspraak
20.19 PW
22 november 2019, 19/3234 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, met de Somalische nationaliteit, ontving vanaf maart 2018 een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO) op grond van de Participatiewet. Zijn verblijfsvergunning was echter met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf februari 2015, zonder dat appellant hiertegen bezwaar had gemaakt. Na afloop van het rechtmatig verblijf diende appellant pas in januari 2019 een aanvraag tot verlenging in, welke werd afgewezen.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok daarom de AIO-aanvulling met ingang van december 2018 in en vorderde de reeds betaalde bedragen terug. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij rechtmatig verbleef, onderbouwd met een brief van de Staatssecretaris.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander zoals neergelegd in het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Participatiewet. Dit omdat appellant pas na beëindiging van zijn rechtmatig verblijf een verlengingsaanvraag indiende en geen bezwaar maakte tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning. Daarom was de intrekking van de AIO-aanvulling terecht en werd de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de AIO-aanvulling wordt bevestigd wegens ontbreken van rechtmatig verblijf.