ECLI:NL:CRVB:2021:519
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet betaling griffierecht
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld en verzocht om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor een voorlopige voorziening. De Raad heeft verzoekster meerdere malen gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van €131,- en de termijn waarbinnen dit betaald moest worden.
Verzoekster deed een beroep op betalingsonmacht en leverde daartoe een inkomensverklaring en aanvullende bewijsstukken aan. De Raad concludeerde echter dat verzoekster niet voldeed aan de criteria voor betalingsonmacht en wees het beroep daarop af. Vervolgens is verzoekster herhaaldelijk gesommeerd het griffierecht te betalen binnen de gestelde termijnen.
Het griffierecht is niet betaald binnen de daarvoor gestelde termijn. Op grond daarvan verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk, conform artikel 8:83, derde lid, van de Awb. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.