ECLI:NL:CRVB:2021:42

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 januari 2021
Publicatiedatum
11 januari 2021
Zaaknummer
20/1744 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbParticipatiewet
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor schoolkosten minderjarige dochter bevestigd

Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van schoolboeken en -materiaal voor haar minderjarige dochter. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af omdat deze kosten worden gezien als incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten die uit het inkomen moeten worden voldaan. Tevens was er een Jeugdtegoed toegekend dat voor dergelijke kosten gebruikt kan worden.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die bijzondere bijstand rechtvaardigen. Appellante stelde in hoger beroep dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar bijzondere omstandigheden, maar de Centrale Raad van Beroep vond dat de rechtbank gemotiveerd had geoordeeld en dat er geen nieuwe gronden waren om dit oordeel te herzien.

De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor schoolkosten wordt bevestigd.

Uitspraak

20.1744 PW

Datum uitspraak: 5 januari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2020, 19/6142 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 2 september 2019 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor de kosten van schoolboeken en -materiaal voor haar minderjarige dochter tot een bedrag van € 616,90.
1.2.
Bij besluit van 16 september 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 oktober 2019 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die in beginsel uit het inkomen moeten worden bestreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden om de kosten te voldoen. Appellante beschikt over een inkomen waaruit zij de kosten dient te voldoen. Bovendien is bij besluit van 1 maart 2019 een Jeugdtegoed toegekend voor een bedrag van
€ 400,- waarmee onder andere schoolbenodigdheden kunnen worden betaald.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de kosten van schoolboeken en -materiaal behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten dienen in beginsel te worden voldaan uit een inkomen op bijstandsniveau, hetzij door reservering, hetzij door gespreide betaling achteraf. Voor deze kosten kan bij een objectieve noodzaak alleen bijzondere bijstand worden verleend als sprake is van bijzondere omstandigheden en de kosten niet uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. De door appellante aangevoerde persoonlijke omstandigheden zijn geen bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot de verlening van bijzondere bijstand. Niet gebleken is dat appellante de kosten van schoolboeken en -materiaal niet uit de haar ter beschikking staande middelen, waaronder het Jeugdtegoed, kon voldoen. De enkele, niet onderbouwde, stelling van appellante dat zij als gevolg van haar beperkingen extra kosten maakt, is hiervoor onvoldoende. De omstandigheid dat de dochter van appellante, naar zeggen van appellante, de dupe is van de weigering om bijzondere bijstand te verlenen voor de aanschaf van schoolboeken en -materiaal, kan niet leiden tot een andere beoordeling over de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden. Deze omstandigheid is immers het gevolg van keuzes die appellante zelf maakt bij de besteding van de haar ter beschikking staande financiële middelen.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellante, evenals in bezwaar en beroep, aangevoerd dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand ten onrechte heeft afgewezen. Het college heeft niet onderzocht of sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe moeten leiden dat de aanvraag moet worden toegekend.
4.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn grotendeels een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust en voegt daaraan toe dat de door appellante aangevoerde omstandigheden zijn beoordeeld en dat niet is gebleken van redenen voor nader onderzoek door het college.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. van Paridon, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2021.
(getekend) M. van Paridon
(getekend) D. Bakker