ECLI:NL:CRVB:2021:3217
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling begin- en einddatum vrijwillige AOW/ANW-verzekering
Appellant keerde in februari 2009 terug naar Marokko en ontving een WAO-uitkering. Hij vroeg vervolgens toelating tot de vrijwillige AOW/ANW-verzekering, die door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd toegekend met ingang van 7 februari 2009 en een maximale duur van tien jaar. Na terugkeer naar Nederland in augustus 2011 werd de vrijwillige verzekering stopgezet, en bij een tweede verhuizing naar Marokko in juni 2012 hervatte de vrijwillige verzekering.
De Svb stelde met een besluit van maart 2019 vast dat de vrijwillige verzekering eindigt op 21 november 2019, rekening houdend met een onderbreking wegens verplichte verzekering. Appellant maakte bezwaar tegen deze termijn, stellende recht te hebben op een langere periode vanwege zijn leeftijd, verblijf buiten Nederland en WAO-uitkering.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat de Svb de begin- en einddatum juist had vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak, overwegende dat de wetgeving geen langere vrijwillige verzekeringsperiode toelaat in deze omstandigheden, mede omdat appellant bij het einde van de verplichte verzekering nog geen 50 jaar was en na terugkeer in Nederland niet minimaal één jaar verplicht verzekerd was.
De Raad ziet geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten en bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de begin- en einddatum van de vrijwillige AOW/ANW-verzekering correct zijn vastgesteld en wijst het hoger beroep af.