ECLI:NL:CRVB:2021:308
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant was tot eind 2015 werkzaam als operator en meldde zich in april 2016 ziek vanuit de WW. Het UWV beëindigde zijn Ziektewetuitkering per 26 mei 2017 na een eerstejaars beoordeling waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen met aangepaste functies.
Appellant voerde bezwaar aan tegen het besluit, stellende dat zijn medische beperkingen, waaronder duizeligheid en concentratieproblemen, onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijst (FML) voldoende rekening hielden met zijn beperkingen en dat de voorgestelde functies medisch geschikt waren.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en verwees naar een MRI-scan en een valincident met ribfracturen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, dat de medische situatie op het moment van beoordeling juist was geïnterpreteerd en dat latere valincidenten niet relevant waren voor de beoordeling per 26 mei 2017.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien om de proceskosten aan appellant toe te kennen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 26 mei 2017.