Uitspraak
19 5233 PW
6 november 2019, 19/2256 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het algemeen bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Laborijn tot terugvordering van bijstand over de periode van 21 augustus 2017 tot en met 24 oktober 2018.
Het algemeen bestuur had de bijstand ingetrokken omdat appellant niet alle noodzakelijke informatie had verstrekt en vervolgens de kosten van bijstand teruggevorderd. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
De Raad overwoog dat de enkele stelling dat de vriendin van appellant arbeidsongeschikt is en dat zij samen een pasgeboren kind hebben, onvoldoende is om dringende redenen aan te nemen. Ook de gestelde psychische en financiële problemen waren niet nader onderbouwd. De bescherming van de beslagvrije voet bij invordering werd eveneens genoemd.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand en wijst het hoger beroep af.