ECLI:NL:CRVB:2021:238
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing kostendelersnorm bij vaststelling hoofdverblijf meerpersoonshuishouden
In deze zaak staat de toepassing van de kostendelersnorm centraal, waarbij het college heeft vastgesteld dat appellante een meerpersoonshuishouden vormt met A, B en C in de periode van 7 maart 2017 tot 29 maart 2018. Dit leidde tot een verlaging van de bijstandsnorm van appellante.
De rechtbank had geoordeeld dat het college op basis van waarnemingen, verklaringen van betrokkenen en een extreem hoog waterverbruik aannemelijk had gemaakt dat B en C hoofdverblijf hadden bij appellante. Dit oordeel is door de Centrale Raad van Beroep bevestigd. De waarnemingen betroffen onder meer het gebruik van twee auto's nabij de woning, het hoge waterverbruik en verklaringen over het verblijf en de dagelijkse aanwezigheid van B en C.
Appellante stelde dat haar woonsituatie sinds december 2016 niet was veranderd en dat compensatie voor gederfde inkomsten niet is toegekend, maar deze stellingen zijn buiten de reikwijdte van het geding gelaten. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toepassing van de kostendelersnorm bevestigd.